Winterkou

Winterkou

De laatste jaren laat de winter het behoorlijk afweten. Sneeuw en echte kou zijn iets van vroeger geworden en niet alleen omdat we toen strengere winters hadden. In de vijftiger en zestiger jaren was er nog geen centrale verwarming en huizen waren nog niet geïsoleerd.

Hoe beschermden we ons toen tegen die winterkou?

De slaapkamer

Om het ’s nachts warm te krijgen trok je een flanellen pyjama aan. Soms werd er een kruik in bed gelegd. Op het bed kwamen flanellen lakens, minstens twee dekens en daarbovenop een zware gewatteerde deken.  Dat was ook wel nodig want op de slaapkamer leek het net zo koud als buiten.

In de ramen zat enkel glas en als het gevroren had stonden er ijsbloemen op. Daar kon je met je vingernagels tekeningen in krassen en met warme adem kijkgaatjes maken zodat je kon zien of er sneeuw gevallen was.

Liefke

Een “liefke” was een gebreid wollen onderhemd dat over het katoenen onderhemd werd gedragen. Het zorgde voor extra warmte. Naar goed katholiek gebruik zat op het “liefke”, met een veiligheidsspeld, een “medaelieke”. Dat beschermde tegen onheil.

De volwassen mannen droegen een lange onderbroek en een hemd met lange mouwen.

De Sjtäöf

’s Ochtends werd in de keuken “de sjtäöf” aangestoken. Door de ruitjes van mica kon je de houtblokken zien branden en de keuken vulde zich met een behaaglijke warmte. De bovenkant van het fornuis werd eerst nog even schoon geschuurd voordat die te heet werd. Daarna werd de waterketel erop gezet.

De woonkamer

In de woonkamer stond een kolenkachel. Die werd tegen de avond opgestookt. De luchttoevoer werd open gezet en de kolenmassa opgerakeld. De verbrandingsresten – as en sintels – werden in de aslade gerammeld. Daarna werd de kachel bijgevuld en opgestookt. Voor het naar bed gaan werd de kachel weer laag gezet. Die bleef dan de hele nacht en de volgende dag rustig een beetje warmte afgeven totdat hij tegen de avond weer opgestookt werd. De kolenkit stond altijd naast de kachel.

Vooral in het weekend werd de kamer flink opgestookt. De warmte zorgde voor rode wangen en soms, door zuurstoftekort, voor hoofdpijn.

Kolenstook was niet zonder gevaar. Bij een onvolledige verbranding kon koolmonoxide ontstaan, een kleurloos en reukloos gas dat bij inademing tot de dood kan leiden.

De koeëleboer

Kolen werden gehaald “bie koeëleboer” Sniekers aan de Heerbaan. Achter het huis had hij een afdak waaronder de kolen in diktes gesorteerd op de klanten lagen te wachten. Je kreeg er eierkolen, briketten en antraciet “neutjes 4”, het nummer gaf de korrelgrootte aan. De goedkoopste kolen waren de eierkolen. Deze werden geperst van steenkoolgruis in de vorm van een ei. De duurdere antraciet brandde het beste en gaf weinig sintels. Sommigen kochten schlamm. Dat was een zware zwarte brij van kolengruis. Dat was nog goedkoper dan eierkolen en gaf een vreselijk dikke, stinkende rook.

De kolenboer deed de kolen in jute zakken en daarna op de fietskar. Thuis werden de zakken omgeschud in de kolenbak.

Vaak hing in die tijd over het hele dorp een zwarte sluier met de geur en smaak van kolendamp.